|
|
 |
 |
 |
|
Top Verhaal! (2) nieuw!
|
 |
 |
| Log in om dit verhaal te toppen | | |
|
 |
| |
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|
Het Begin door: nieuw!
|
 |
 |
Het begin Lopend door de struiken met zware rugzakken opzoek naar iets wat eigenlijk niet bestaat. Takken die je huid open krassen totdat ze bloeden en vooral levensgevaarlijke dieren. Nee, niet zomaar dieren. Gemuteerde beesten die veel weg hebben van mensen. Zoals mensen met de zintuigen van katten. Of mensen met de eigenschappen van een kameleon. Mensen met kieuwen, je kan het zo gek niet bedenken, het kan zelfs uitlopen tot een onnatuurlijke gave. En in deze tijden kan het allemaal, de tijden waar de aarde van streek in door de voorouders van mensen die er nu wonen. Hun hebben de regels van de natuur niet opgevolgd, zeggen ze. De aarde is van streek en er ontstaan meer aardbevingen en vulkaanuitbarstingen dan ooit in de hele geschiedenis. Er ontstaan orkanen en tornado s en er is veel regen. Vele delen van de werelden zijn overspoeld waardoor er nieuwe kaarten worden gemaakt, maar die zijn nooit helemaal goed. Mensen moeten opnieuw alles ontdekken, de mensvolken en de andere werelden. Maar er is een wereld die ze de nieuwe wereld noemen, die mensen zijn buitenaards, zeggen ze. Er zijn er maar enkele gekomen, die het vervolgens nog kunnen navertellen. In de nieuwe wereld is alles nieuw. Als je in een simpel dorpje woont kan je je het niet voorstellen wat daar allemaal is. Daar worden mensen met een gave gezien als een god, want daar zijn de laatste overschotten van de voorouders. Daar wonen mensen die nooit over de grens zijn geweest en dus nooit hebben gezien welke mensen d r dan wel niet wonen. Ze zien ze alleen de mensen die het voor elkaar hebben gekregen om er te komen. Maar de mensen die daar wonen zijn buitenaards, zeggen ze. En ze blijven het niet ontkennen. Hoge gebouwen van zilver en de mensen rijden daar niet met paard en wagen maar in een zilveren doos. En de mensen daar zijn slim, heel slim. Ze vinden ze buitenaards dat is zeker maar, spreken ze de waarheid. Lopend door de struiken met zware rugzakken opzoek naar iets wat eigenlijk niet bestaat. Takken die je huid open krassen totdat ze bloeden. Ondertussen ben je al wel jaren in de natuur om een hopeloze poging te doen om een volk te vinden. Maar als het je lukt kan je een gat in de lucht springen. Dit is het jaar 4012, waar het allemaal anders is, maar dat had je al ontdekt. Een meisje met een vader en een moeder lopen nu door een woud met veel moerassen en vooral veel doorns. Ze zijn ongeveer al 3 jaar onderweg en er lijkt maar geen eind aan te komen. Maar ooit, wist haar vader mooi te vertellen, zouden ze iets ontdekken . |
 |
| |
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|
De verstreken reis door: nieuw!
|
 |
 |
De verstreken reis Lopend door de struiken met zware rugzakken opzoek naar iets wat eigenlijk niet bestaat. Takken die je huid open krassen totdat ze bloeden en natuurlijk ook die levensgevaarlijke dieren. Haar vader liep voorop, daarna zij en daarna haar moeder. Haar vader had een mes in zijn hand om de scherpe takken en doorns weg te snijden. Het was in de middag, de zon staat hoog, maar je merkt er niets van. Het was dicht begroeit en het stinkt er naar gassen uit het moeras. Ze liepen nu al zeker 3 uur achter elkaar. De tempratuur was nu het hoogste, het zal wel rond de 28 graden geweest zijn. Ze liepen eerst over een vlak gebied en daarna ging het op in 9 . Het was een zware klim want door de stenen en wortels op het pad kon je geen ritme krijgen. Pap, kunnen we even rusten hijgde zijn dochter. Ze was op een stronk hout gaan zitten en wreef het zweet van haar voorhoofd en haar bovenlip. Ze draaide haar hoofd naar haar moeder waardoor haar goudblonde haar meebewoog. Haar moeder knikte. Dat is een goed idee Haar vader keek op en knikte toen ook. Heel de familie had bruine ogen, dat gaf een mysterieus uiterlijk en het zorgde er ook voor dat de innerlijke schoonheid zichtbaar werd, zeiden de mensen uit het vorige dorp tenminste, waar ze eerst woonden. Dat was gezellig want iedereen kende iedereen en geen geheim was veilig. Haar vader was daar dokter, de enigste, en daarom zo bekent. Het dorpje leek op een dorp uit het wilde westen, alleen lag het niet in het wilde westen. Het was in het zuidwesten omringd door bomen en bossen waar een berg riviertje doorheen liep. En aan het noordoosten was de savanne. Het was een kale vlakte met hier en daar een boom die de warmte had overleeft. Het was een treurig gebied, en soms kwamen er uitgedroogde verstekelingen uit. Die namen ze respectvol op in het dorp. Eigelijk wou ze terug naar het dorp maar ze moesten weg. Ze hoorden zacht het getjilp van een vogel die door het takkengewas gekomen. Het was een hoopgevend getjilp, al had ze niet echt veel meer. Haar hart zei dat ze het niet haalde maar haar hoop zei dat ze het wel haalden. De vraag was wie had er gelijk. Ze waren 15 minuten verder, ze liepen weer door. Het was verder de vermoeiendste dag geweest die ze had meegemaakt. Ze wou dat ze iets van een spoor vonden maar dat hadden ze nog nooit gedaan, ook al keek ze nog wel zo goed. Ze wist dat ze zich meer op sporen zoeken moest concentreren maar dat lukte niet door de vermoeidheid. Ze zaten met z n 3en om een soort van kampvuur. De maan was al gekomen en het werd frisser. Ieder van hun had daarom ook een deken omgedaan. Het schijnsel van het kampvuur gaf haar een natuurlijke gloed op haar gezicht en alle wonden werden opeens onzichtbaar. Ze was opeens beeldschoon, al was ze dat altijd al geweest. Alleen jammer dat ze zichzelf nooit meer kon zien, haar ogen, neus, en mond. Ze was voor eeuwig verdoemd. Het vage licht van de zon drong voor de takken boven hun. Als eerst werd Tascha wakker. Ze zocht naar een beekje in de buurt, die was vlakbij. Ze klom op een van de stenen die eromheen lagen en maakte een kuiltje van haar handen om het water op te pakken. Het was koud water, en het glinsterde in het zonlicht. Nou ja, het zonlicht dat door de takken was gedrongen. Ze gooide het in haar gezicht en huiverde van de kou, alles rilde en toen pakte ze weer was water. Het water stroomde in een bergriviertje naar beneden. Veel obstakels zoals stenen liet geluid achter dat je tot rust liet komen. Ze keek in het stromende water. Ze liep langzaam door de bossen terug, het mos waar ze op liep was zacht en luchtig waardoor ze er met haar blote voeten door kon inzakken. Ze schoof een paar takken aan de kant en liep het bruine zand weer op. Ze zag het verkoolde hout en haar vader en moeder praten over iets. Ha, ben jij ook al wakker? zei haar moeder Julia. Ze was altijd bezorgd over haar dochter en wou haar nooit alleen laten, soms was het vervelend maar ze hield van haar dat kon je aan zoals de buitenkant als de binnenkant voelen. Tascha knikte en plofte op haar verkreukelde slaapzak. Ik heb me al gewassen zei ze droog en keerde toen haar rug. Ze haatte het om in de ochtend te praten. En zeker als het zo n domme vraag is. Duh, natuurlijk was ze al wakker, dat zag je toch. Ze hoorde haar vader, Petrus, iets in haar moeders oor fluisteren. Natuurlijk wist Tascha wat hij vertelde. Ze vond de naam van haar vader maar dom, Petrus, wie verzint nou zo iets. Ze hoorde iets in de struiken, en ging recht op zitten. Ons ochtend eten is er zei ze onverschillig. Ze pakte haar boog die onder haar slaapzak lag. Hij was van eikenhout en zag er heel nieuw uit. Eigenlijk was hij tientallen jaren oud. Ze richtte de boog op de struiken en schoot de pijl. Ze hoorde een gil en liep er naartoe, ze pakte de pijl. En daar aan vast zat een veldmuisje. Jammie, veldmuis zei ze sarcastisch. Ze aten elke dag weer veldmuis. Het begon echt te vervelen, en wie weet is het helemaal niet gezond. De rest van de dag was het rustig, het was gewoonlijk om te lopen op wijde en bos. Ze waren dan al wel 3 jaar op weg maar de conditie van Tascha was nog steeds die van een schildpad. De nacht begon te vallen en ze hadden hun kamp opgezet op een grote grasvlakte. Voor de eerste keer in de week kon ze in de verte de zon zien onder gaan. De wolken die er naar toen waren gewaaid waren rood geel. Het was zoals in een sprookje. Tascha was over de vlakte gaan lopen uit verveling. Het gras jeukte aan haar benen maar ze vond het niet erg. Het was lang geleden dat ze over vlakke gras weides had gelopen. Ze keek naar de blauwe lucht. Ze voelde iets dat haar verbond met de lucht. Het leek alsof ze kon zien was de lucht ook kon zien. Natuurlijk kon dat nooit waar zijn. Ze liep rustig naar een grote rots naast haar. Ze klom er rustig op en ging op haar rug liggen. Ze keek naar de lucht. En als het nou toch kon, dacht ze. Ze concerterende haar alleen nog de lucht. De wind langs haar oren, de blauwe gloei die zo niet echt leek. Het leek alsof ze zweefde. Het werd zo licht allemaal. Alsof ze weer terug bij af was. Alsof ze nog niet had gehoord dat ze haar dorp uit moest. Het was een fijn gevoel, een rustgevend gevoel. Alle zorgen waren uit haar lichaam weggezogen. De zon straalde op haar gezicht. Het voelde zo vredig. Alle pijn leek van de wereld af te glijden. Toen zag ze plots haar moeder. Ze pakte de tenten uit de tassen. Haar vader was nergens te zien. Haar moeder kwam dichterbij en zei We moeten Tascha misschien een beetje vrijer laten, ze is namelijk altijd bij ons en ze kan nooit alleen zijn. Inderdaad hoorde Tascha. Maar waar kwam het vandaan. Ze kon het niet zien. Ik moet toegeven, ze is al 14! Haar moeder knikte. Misschien moeten we dat maar doen Haar moeder kwam dichtbij. Snel concentreerde Tascha zich niet meer. Ze opende haar ogen in haar eigen omgeving. Ze was overeind gaan zitten en zuchtte. Kon ze nou echt zien wat haar vader zag? Ze hoopte niet dat het op onverwachte momenten gebeurden. Als haar ouders nou ergens mee bezig waren bijvoorbeeld. Maar het leek haar haast onmogelijk. Maar alles kon tegenwoordig. Misschien kon dit toch echt. Kon ze echt via iemand anders ogen kijken door zich op de lucht te concentreren. Wie weet. Twijfelend sprong Tascha behendig de rots af. De zon was ondertussen naar de horizon gezakt. Hij was nu rood roze. Een mooie rustige kleur vond Tascha altijd. Langzaam liep ze weer terug naar de tenten. Ze had zo n voor gevoel maar wist niet wat er ging gebeuren. Ze had het gevoel alsof ze werden bekeken. Maar dat had ze wel vaker. Ze liep naar de duisternis van de komende nacht. Naar haar ouders. De nacht was kort. De zon kwam eerder op door de vlakte. Meestal werd je gewekt door de zon dus nu was je extra eerder wakker. Tascha was al een paar uur wakker. Ze dacht in ieder geval dat het een paar uur was. De tijd was moeilijk te onderscheiden als je niets bij je had. Haar vader en moeder werden later wakker. Ze hadden nog niets gezegd tegen haar en hadden zelf een keer de tenten ingepakt. Normaal moest zij de hare altijd doen maar nu deden hun het. Misschien deden ze dat vanwege het gesprek van gisteren. Ze gingen weer lopen. Lopen, lopen en nog eens lopen. Alles ging om vooruit komen. Ze hadden maar een dag in de week dat ze niets hoefde te doen. Gelukkig was die dag morgen al. Ze liepen het padje af waar Tascha had gelopen. Ze liepen met de zon in hun rug. De wind werkte zelfs mee. De vlakte was lang en je kon net in de verte de nieuwe bossen zien komen. Maar toch wisten ze dat ze aan het eind van de dag nog net niet in de bossen zouden zijn. Tenminste dat dachten ze. De avond was weer gevallen. De dag was het zelfde, niets te melden. Geen sporen, helemaal niets. Moet je nagaan hoe saai het zou zijn geweest. Tascha zuchtte en ging in het hoge gras zitten. Ze trok ook een takje uit de rond en stopte hem in haar mond. Ze leunde tegen een hoge steen. Er waren veel stenen onder weg was haar opgevallen. En ook steeds de zelfde vorm. Haar vader en moeder hadden de tenten alweer opgezet tot Tascha iets hoorde. Ze werd zenuwachtig. Ze hoorde al de hele weg iets. Mam, iets achtervolgt iets. zei ze zacht. Dat kan niet lieverd, we hebben niets gevonden van sporen Maar Er is echt niets probeerde haar moeder. Maar Tascha kon er niet tegen als ze negeert werd. Ze slaakte een diepe zucht om niet uit te vliegen. Misschien, dacht ze. Ze viel naar achteren en keek naar de lucht. Ze concentreerde zich alleen om de omgeving en niet op haar ouders. Ze zag haar ouders. Toen draaide het beeld naar een of ander katachtig iets. Het had in ieder geval veel haar. Sana warte si dar hoorde ze iemand fluisteren. Ze herkende de taal niet. Kala zei iemand terug. Het keerde zijn hoofd weer en alweer zag Tascha haar ouders. Ze werd dus wel bekeken. Ze opende haar eigen ogen weer. Ze keek in de richting van de katachtige dingen. Ze hoorde daar een takje kraken. Ze waren niet echt goed, zeg. Ze sloop langzaam die richting op nadat ze haar pijl en boog had gepakt. Ze was zeker nog op 6 meter afstand toen ze besloot te schieten. Ze spande de boog en schoot de pijl. Hij ging geruisloos door de lucht. Toen ging hij de bosjes in en Tascha hoorde 2 seconde daarna een gilletje. Ze glimlachte en liep langzaam naar het slachtoffer. Wyah, Wyah gilde het. Rustig maar, ik haal de pijl eruit als jij me vertelt waarom jullie ons volgen. Ja ja, jullie lopen wel over ns kerkhof hoor Tascha schrok, had ze al die tijd op een grafsteen gelegen. Oh, sorry daarvoor. Dat wisten we echt niet Ze trok de pijl uit het been en keek naar de wond. Het bloed was al een beetje gestold maar de wond was diep. Ze keek weer naar de katachtige. Wij zijn al 3 jaar opzoek naar een soort zoals jullie, mag ik je voorstellen aan mijn ouders? Wacht even Het stond op en rende lenig met zijn manke voet door de bossen. Tascha wist dat ze kon vergeten dat de katachtige terug kwam dus ze liep weer terug naar de grafsteen. Eigenlijk maakte het niet uit dat het een kerkhof was. De stenen lagen lekker. Ze zonk weer weg in haar eigen fantasie. Het was dit keer een grijze dag, veel wolken op hun weg en ze eindelijk aan de rand van het bos zaten kon je de zon niet meer zien. Jammer, vind ze. Maar aan alle mooie dingen kwam een eind, merkte ze op. Ze hoorde weer takjes kraken. Ze keek op en dacht niet meer aan het weer. Ze waren toch terug gekomen! Mam! riep ze. Haar moeder keek op en vergat het eten op het vuur. Dat kan niet waar zijn! Ze hielt haar hand voor haar mond en haar ogen glinsterde. Na 3 jaar! zei haar vader en glimlachte ook. De katachtige die Tascha had geschoten kwam naar voren. Het is me een genoegen als u met ons mee eet, vreemde reizigers zei hij plechtig. De rest van de katten kwamen er ook bij staan. Tascha liep naar de kat toe en zei Dat doen we graag, toch mam Haar moeder knikte alleen maar. Bedankt dat je toch nog was gekomen fluisterde ze in het oor van de kat en liep toen achter haar ouders aan. Ze zaten aan een houten tafel met daarop allerlei schalen met sla en vlees. Het smaakte heerlijk. De tafel stond op de houten hutten van de katten. Ze waren volgens Tascha van riet en boomstammen. Ze nam nog een hap van haar vlees. Ze had nog nooit zo lekker gegeten. Haar moeder en vader waren druk in gesprek met een van de katten. Naast de tafel was een kampvuur waar de katten het vlees op verwarmde. Het was zo gezellig. Er werd zelfs muziek gespeeld. Er waren 3 katten in mooie gelaten verkleed en stond met een tamboerijn te dansen. Het leek allemaal net een sprookje. Het was gezellig tot laat in de avond. Iedereen had veel gegeten en ook nog was bessensap gedronken. Haar vader bleef maar praten en haar moeder had ook al iemand gevonden waarmee ze praatte over het eten. Tascha keek om haar heen. Het vuur ging langzaam uit zag ze. Ze had dit nooit van haar leven kunnen dromen. Na 3 jaar ronddwalen in een bos zonder iets te vinden. Dit was echt geweldig. Ze werd moe, en ook haar vader en moeder wouden terug naar het kamp. Maar de katten hielden ze tegen. Gebruik toch een van onze hutten zei een bruine kat vriendelijk. Haar moeder twijfelde even maar nam het toch aan. Ze liepen naar het bos om de spullen op te halen. Het was er heel stil en in de verte hoorde je de katten nog praten. Het gemaakte vuur op de vlakte was uit gegaan. Ieder van hen pakte zijn slaapzak en tent ook al hadden ze die, volgens Tascha, niet meer nodig. Haar ouders waren al door gelopen omdat ze het te lang vonden duurde. Het was stil. Heel stil. Er waaide een koude wind langs Tascha s haren. Er ging een rilling door haar lichaam. Ze hoorde in het bos takjes kraken. Ze draaide zich naar de plek en keer met bange ogen de duisternis in. Er werd een tak van de bomen opzij geschoven. Pa? vroeg ze schoor. De gedaante kwam dichterbij. Ze kon het nog net niet zien. Toen stapt het en het maanlicht. Het was een jongen. Zijn ogen glinsterde. Het waaide weer. Zij zwarte haar kwam uit zijn gezicht. Hij was knap, heel knap. Tascha bloosde. Wie wie ben jij? vroeg ze. Ze stak haar hand langzaam naar het toe. Tot hij plots in rook op ging. Van schrik trok ze hem weer in. Ze knipperde met haar ogen. Was dit nou echt gebeurd?
|
 |
| |
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|